Opvolger van Jasper Ketting krijgt grote schoenen om te vullen

Na zes uitermate succesvolle seizoenen verlaat Jasper Ketting (47) HBC om hoofdtrainer te worden bij het gerenommeerde Katwijk. Onder zijn leiding promoveerde HBC vanuit de Derde Klasse KNVB naar het op één na hoogste niveau van het amateur voetbal: de Derde Divisie. Voorwaar een prestatie van formaat dat slechts weinige trainers in Nederland hem kunnen nazeggen. Zijn opvolger Metgod krijgt dan ook grote schoenen om te vullen. Een boeiend en openhartig interview met zowel de mens als de oefenmeester Ketting.

Waar stond je wiegje?
Ik ben in Haarlem geboren en getogen. In de Amsterdamse buurt. Samen met mijn zus Joëlle en broer Jeroen. Ik ben de oudste van de drie. Samen met mijn ouders vormden wij een hecht gezin waar sport een wezenlijk onderdeel van uitmaakte. Mijn vader speelde destijds betaald voetbal. Onder meer bij RCH, Hilversum en EDO. Mijn moeder was zwemdocente, terwijl mijn zus op hoog niveau hockey speelde, onder meer Bloemendaal, Laren en Hurley in Amstelveen. Mijn broer Jeroen speelde jarenlang betaald voetbal bij onder meer Ajax, AZ, Haarlem, Volendam, Cambuur, Lommel en Zwolle. Daar speelde hij nog samen met Arne Slot. Sport werd thuis dus met de lepel ingegoten. Mijn broer maakte zijn debuut in de Kuip in de eredivisie namens AZ. Hij scoorde prompt. Bij die ene wedstrijd bleef het voor wat betreft de eredivisie. Hij liep dus jarenlang één op één.

Een onbekommerde jeugd dus…
Daar kijk ik zeker op terug. De Martin Luther King was mijn lagere school. In de Amsterdamse buurt speelden we altijd op straat. Ja, ik was in die tijd best wel een belhamel. We haalden het nodige kattenkwaad uit. We woonden toch in een volksbuurt, dus daar gebeurde nog wel eens wat. Op het cross pleintje werd er nog wel eens een kerstboompje in de fik gestoken. En natuurlijk altijd voetballen op straat en bij DSK. Dan organiseerden wij hele straatcompetities onder elkaar. Daar werd de basis gelegd van het voetballen. Moest je je eigen putje verdedigen. Maar niet alleen voetballen, ook wedstrijdjes op de BMX-fietsen regelden wij onder elkaar.

Gymnastiek was zeker je favoriete les? Leuke gymleraar?
Goh… ik weet eigenlijk niet eens meer hoe de gymleraar op de basisschool heette. Maar ik kan wel stellen dat ik breed georiënteerd was en ben in sport. Ik was wat betreft mijn motoriek behoorlijk behendig. Ik ben dan ook in veel sporten handig. Die belangstelling voor diverse sporten heb ik altijd gehouden. Uitgezonderd darts. Daar heb ik weinig mee. Maar of het nu Formule 1 of Atletiek is, dat volg ik allemaal. Ik kijk dan ook uit naar de Olympische Spelen.

Na de lagere school volgde uiteraard de middelbare school…
Ja, ik ging naar het Spaarne Lyceum. Op zich kon ik de HAVO doen, maar koos uiteindelijk voor de MAVO. Het leek mij verstandiger om dat te doen. Dan hoefde ik niet op mijn tenen te lopen en had ik genoeg vrije tijd om te blijven sporten. Zonder te blijven zitten wist ik dan ook mijn diploma te halen.

Om daarna een vervolgopleiding te doen?
Ja, ik ging naar het CIOS in Overveen. In dat prachtige pand dat er toen stond. Voor de praktische lessen moesten we de hele stad door zwerven. Zwemmen in de Planeet, atletiek op Pim Mulier sportpark. Ik deed twee hoofdvakken, namelijk Tennis en Voetbal. Als bijvakken koos ik voor zwemmen, buitensport/sport en spel, sportmanagement en sportmassage. Het was een prachtige opleiding. Hoewel ik zo nu en dan ook wel eens spijbelde. Het vak Nederlands sloeg ik zo nu en dan wel eens over. Ook nu nog: ik lees vrijwel geen boeken. Althans geen literatuur.
Ja, op vakantie wil ik nog wel eens een sportbiografie, thriller of detective lezen en haal ik ’s morgens als we in het buitenland zijn een krantje. We gaan al jaren naar Ermelo in het voorjaar. Camping De Paalberg. Daar zetten we dan onze toercaravan voor drie maanden neer. Mijn ouders en broer zitten daar dan ook. Wel zo gezellig.

Je doorliep het CIOS in één keer?
Uiteindelijk heb ik er één jaar langer over gedaan. Dat had te maken met het feit dat ik voor beide hoofdvakken stage moest lopen. Dat kon niet in hetzelfde jaar.
Ik heb onder andere stage gedaan bij Ajax.

Wie waren zoal je docenten op het CIOS?
Hans van Doorneveld. Hij zou later een belangrijke rol spelen voor wat betreft mijn eigen voetbalcarrière. Maar ook Jan Olde Riekerink en Wim Koevermans herinner ik mij nog. Door Hans van Doorneveld kwam ik ook bij de Graafschap te voetballen. Hij was daar assistent van Fritz Korbach.

Na het behalen van het CIOS diploma, ging je toen ook in die sector sport zelf aan de slag?
Nee, toen nog niet. De bedoeling was dat ik naar de ALO zou gaan. De Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Amsterdam. Dat ging niet door omdat ik door Hans van Doorneveld werd uitgenodigd voor een proefwedstrijd bij de Graafschap. Dat resulteerde direct in mijn eerste contract. Ik was eenentwintig toen ik binnen een paar weken het ouderlijk huis verliet om daar in eerste instantie in een hotel te gaan wonen en kort daarna een huis kreeg toegewezen.

Je stond dus al vroeg op eigen benen…
In zoverre dat na ongeveer een half jaar mijn vriendin overkwam vanuit Haarlem en zij daar kon gaan werken. Zij is dan ook mijn vrouw en moeder van onze drie kinderen, drie meiden. Yara van achttien, zij hockeyt. Zij gaat binnenkort wel naar de ALO. Myla van zestien, zij voetbalt bij Telstar onder 17 en de jongste, Kiky-Jo. Zij is zeven en hockeyt en doet aan paardrijden. Alle drie dus met de letter “Y” vraag mij niet waarom. De oudste had die letter in haar naam dus besloten we de andere twee die ook maar te geven.

Jouw vriendin, nu jouw echtgenote kwam over. Waar leerde je haar kennen?
Eigenlijk vanuit het stappen in Haarlem. Zij zat overigens in de klas van mijn broer. Dus ik kende haar wel enigszins. Ik herinner mij wel dat ik in die tijd het nodige moest “investeren” om met haar een relatie aan te gaan. En daar helpt ze mij ook nog wel eens aan herinneren, Ha ha ha.

Zijn jouw dochters in Doetinchem geboren?
Nee, de oudste in Haarlem. Vanuit Doetinchem verhuisden wij aanvankelijk naar Haarlem (Schalkwijk) en kochten daar een flatje in de Engelandlaan. Daar woonden wij trouwens naast Serge van de Ban, de huidige keeperstrainer bij HBC. Vanuit Haarlem zijn wij uiteindelijk in Hoofddorp terecht gekomen. Daar werd de wijk Floriande gebouwd en gingen we voor de gekkigheid eens kijken of we daar iets konden kopen. Op zich is dat toen gelukt, hoewel we eigenlijk in die tijd niet eens goed hadden berekend of we daar wel de financiële middelen voor hadden. Maar achteraf bleek het een goede keuze. Yara is destijds in Haarlem geboren zodat wij in die Gemeente ook aangifte konden doen. Wij vonden het leuker als er geboorteplaats Haarlem stond dan Haarlemmermeer? Dit is helaas om verschillende redenen niet gelukt bij onze twee andere dochters. Bij hen staat wel geboren te Haarlemmermeer haha… Het grappige is overigens wel dat wij in Hoofddorp opnieuw bijna naast Serge woonden.

Wat betreft jouw eigen voetbalcarrière: waar is die begonnen?
Toen ik een jaar of zeven was ging ik bij DSK spelen. Ik heb daar twee jaar in de “F-jes” gespeeld en een jaar in de “E-tjes” Mijn vader trainde ons daar. Vervolgens ging ik naar TYBB. Die club was groter en ik denk dat mijn ouders deze club beter voor mij vond voor mij. Hoewel ik het heel erg naar mijn zin heb gehad bij TYBB, heb ik daar achteraf toch iets te lang gevoetbald. Tot en met de tweedejaars B junioren. We hadden daar wel een heel sterk jeugdteam. Regelmatig kampioen en namen deel aan internationale toernooien. Zo herinner ik mij ook nog de Easter Cup. Na TYBB kwam DCO. Daar speelde ik een jaar in de landelijke jeugd om vervolgens over te stappen naar Haarlem waar dus ook Van Doornveld zat als hoofdtrainer. Ik kwam aanvankelijk in de A 2, maar na een wedstrijd of vijf, zes werd ik al overgeheveld naar de A1. Daar was destijds Marcel Bout de trainer. Niet de minste. Hij werd later onder meer assistent van Louis van Gaal bij Bayern München, Manchester United en zit nu bij New Castle United als hoofd scouting. Ik heb nog altijd wel contact met hem. Van Marcel heb ik bij Haarlem het nodige geleerd. Voor het eerst ging je “met je hoofd” voetballen. Hoe je tactische oplossingen zocht. Ik had op dat vlak wel een achterstand doordat ik toch wat te lang bij de amateurclubs was blijven spelen. Je mist dan toch een bepaalde basis in vergelijking met jongens die hun opleiding bij een betaald voetbalclub hebben doorlopen. Bij Haarlem speelde ik een jaar in de A jeugd en vervolgens nog twee jaar in het tweede elftal.

Wat was jouw positie meestal?
Altijd in de aanval. Bij Haarlem meestal Linksbuiten, later bij de Graafschap was ik een van de twee spitsen of speelde ik op “tien”. De laatste paar jaar ging ik meer naar achteren. Laatste man. Maar van oorsprong dus aanvaller. Zo denk ik overigens ook als trainer. Overigens ben ik in de nadagen van mijn voetballoopbaan nog wel in de laatste linie terecht gekomen. Ook dat komt me als trainer wel van pas.

Na Haarlem jeugd en het tweede elftal? Werd het toen Ajax?
Ja, mijn broer speelde daar al. Ik kwam daar ook met enige regelmaat kijken. Ik zat op het CIOS en zocht een stageplaats. Ik nam zelf contact op met Co Adriaanse die in die tijd nog bij Ajax zat. Hij kende mij omdat, zo vertelde hij mij, Ajax mij al op hun lijstjes hadden staan als jeugdspeler. Adriaanse stemde in met mijn stage maar onder de voorwaarde dat ik dan ook bij Ajax zou komen spelen. Dat werd de Ajax Zaterdag. Dat was een elftal met spelers die bijna allemaal bij Ajax in de jeugd hadden gezeten, maar het betaald voetbal niet hadden gehaald. Ik mocht zelf bepalen bij welk team ik stage wilde lopen en koos voor de veldtraining de A 1, waar destijds ook Andy van der Meije, Serge van de Ban, Sander Keller, Brutil Hosé, Kevin Bobson, Daryl Douglas in speelde. Van deze lichting is een boek geschreven, the golden boys. Voor de wedstrijd coaching kwam ik bij de B2 met als coach Jan Olde Riekerink. In het team van de zaterdag speelde ik o.a met Patrick Zwaanswijk. In beginsel trainden we daar vier keer in de week, waarvan drie keer verplicht, maar eigenlijk was iedereen er altijd vier keer. We hadden een uitermate enthousiast elftal met allemaal liefhebbers. Niemand verzaakte. Bijna geen speler die zich voor de wedstrijd meldde bij de medische staf en dan stonden we al te voetballen in de kleedkamer voor de warming up startte. Uiteindelijk zijn er na dat jaar drie spelers naar een betaald voetbalclub gegaan en belandde er diverse jongens van dat elftal bij topamateur clubs als, destijds Argon en IJsselmeervolgels.

En jij?
Zelf zou ik naar Quick boys gaan. Zij hadden mij benaderd. Ook Noordwijk had interesse. Ik had de keuze gemaakt om naar Quick Boys te gaan. Maar in die tijd kwam dus de Graafschap met Hans van Doorneveld om de hoek. Bij Quick Boys had ik dan ook de afspraak gemaakt dat in geval de Graafschap zou doorpakken ik daarnaartoe zou gaan. Dat is toen ook gebeurd.

Maar jouw carrière als voetballer eindigde toch niet bij de Graafschap?
Nee, zeker niet. Het was in die tijd dat Sport 7 als commercieel tv-zender werd gelanceerd. Clubs gingen zich rijk rekenen en contracteerden veel spelers. Toen echter na korte tijd de stekker uit dat Sport 7 werd gehaald zaten veel clubs in financiële problemen en werden contracten niet meer verlengd. Dat overkwam mij ook. Ik zat toen net in een roerige periode bij De Graafschap. In een korte tijd stonden er zes verschillende hoofdtrainers voor de groep. Dit was natuurlijk niet in het voordeel van de onbekende speler die ik was.

Waar ging jij vervolgens naar toe?
Ik ging naar Rijnsburgse Boys. De Bollenstreek dus. Topamateurs. Ik werd gehaald door de toenmalige trainer Henk Wisman, maar die zat twee weken later al bij Volendam. Ik heb vijf jaar bij Rijnsburgse Boys gespeeld, onder andere met Joost Kuhlman. Dat was de periode 2000-2005. Mijn laatste jaren bij Rijnsburg is Ted Verdonkschot daar mijn trainer geweest. Ik heb daar mijn mooiste voetbaljaren gehad. Dat was een competitie met bijna alleen maar derby’s, echt geweldig. Daarna werd het ARC in Alphen aan de Rijn. Een seizoen eerder waren er al een paar jongens van Rijnsburg overgestapt naar deze club. Ik kreeg een aantal blessures en had mijn laatste jaar daar minder gespeeld. Zodoende besloot ik om naar ARC te gaan.

Was dat een succes?
Achteraf bekeken niet zo. Het eerste jaar degradeerden we en het tweede jaar kreeg ik voor het eerst een conflict met de trainer die daar toen zat.

Jij, een conflict? Verklaar je nader…
Ik kwam buiten de selectie te vallen. Dat kan. Alleen de wijze waarop dat is gegaan, daar had ik zelf andere gedachten bij. Van die ervaring heb ik ook wel geleerd en vormt je ook als trainer. De wijze waarop je namelijk omgaat met de spelers. Dat je als trainer een sfeer weet te creëren waarbij spelers zich vrij kunnen voelen om naar je toe te komen als ze ergens mee zouden zitten. Kwestie van respect: wat je geeft krijg je terug.

En na ARC?
Daarna kwam ik bij EDO terecht in Haarlem. Daar was Jacques Koster trainer. Geweldige kerel. Wij speelden in de zondag Eerste Klasse. Ik ben daar zes of zeven jaar gebleven, maar ging mij al wat meer richten op het trainerschap. Feitelijk deed ik dat al zo een beetje vanaf mijn vijftiende of zestiende jaar. Eerst jeugdgroepjes bij TYBB, DCO, HFC Haarlem en gaandeweg, na het behalen van mijn CIOS-diploma als assistent bij Ted Verdonkschot bij Quick Boys. Als voetballer sloot ik uiteindelijk mijn actieve loopbaan af bij de zaterdagafdeling van HBC.

Je werd trainer bij Schoten, toch?
Ja, dat was mijn eerste club als hoofdtrainer. Daarvoor was ik dus al assistent bij EDO en Quickboys geweest. Bij Schoten stond ik voor het eerst als verantwoordelijk hoofdtrainer voor de groep.

En met succes kan ik mij herinneren. Jullie werden kampioen in de Vierde Klasse KNVB.
Klopt en na afloop van het tweede jaar in de Derde Klasse promoveerden we zelfs naar de Tweede Klasse. Via de nacompetitie. Uiteindelijk heb ik bij Schoten drie seizoenen gezeten en met veel plezier.

Toen kwam HBC…
Ja, Piet belde mij. Piet Soomer. Mijn dochter voetbalde al bij HBC en trainde ik daar (zij zat in een jongensteam). Dus ik kende HBC zelf wel al een beetje. Bovendien speelden we met Schoten in de Vierde Klasse nog tegen HBC. Dus zag ik de mogelijkheden wel voor de selectie. En wellicht heeft ook Joost Kuhlmann op de achtergrond er iets mee te maken gehad. Joost kende ik al, ik ben zijn trainer geweest in de c-junioren bij HFC Haarlem. Later speelde ik nog met hem bij zowel Rijnsburg als EDO en was hij speler bij Quick Boys toen ik daar assistent-trainer was van Ted.

Duurde het lang voordat jij je beslissing had genomen om Schoten te verlaten voor HBC?
Nee, ik meen dat er maar één gesprek heeft plaatsgevonden. Dat was bij Piet thuis. Zelf had ik zeker interesse voor HBC. Ik had ze immers zien spelen tegen Schoten en in de gesprekken met Piet kwam naar voren welke ambities zij met HBC hadden. Zij wilden het tot dan wat vrijblijvend karakter binnen HBC om gaan zetten in meer prestatiegericht. Zonder daarbij het karakteristieke kenmerk van het verenigingsverband binnen de club opzij te zetten. Maar duidelijk werd wel wat de ambities waren. Tot dan werd het voor mijn gevoel “wel goed” gevonden om in de Vierde klasse uit te komen. Gelukkig was de weg omhoog al ingezet, want het gesprek met mij was ergens in december en een half jaar later, in mei, werd HBC onder Peter van der Waart kampioen van de Vierde Klasse. Uit het gesprek met Piet werd duidelijk dat HBC binnen twee jaar in de Tweede Klasse wilde gaan spelen. Dan hebben we het dus over de Tweede Klasse hè, maar dus niet de Derde divisie. Drie afdelingen hoger.

Die aanvankelijke doelstelling, Tweede Klasse, werd al in het eerste seizoen nadat jij hoofdtrainer werd gehaald…
Op zich stond er al een goede groep waarin ik zag dat er nog meer uit te halen viel. De intentie was om jongens die een HBC-achtergrond hadden en nu elders op behoorlijk hoog niveau in het amateurvoetbal speelden enthousiast te maken en terug te halen naar HBC. Dat zouden dan jongens zijn die op zich al “een link” met HBC hadden. Eventueel en zo nodig aangevuld met jongens “uit de buurt“ van HBC dus regio gebonden. Dan heb ik het bijvoorbeeld over Hoofddorp, Haarlem.

Dat is ook prima gelukt.
Absoluut. Slechts een enkeling is van “buitenaf gekomen”. En een aantal van die jongens van ‘buitenaf’ zijn toch ‘echte’ HBC-ers geworden. Kijk binnen HBC bestaat niet echt een zogenoemd scoutingsapparaat. Natuurlijk door de resultaten die er elk jaar werden behaald konden we makkelijker voor bepaalde posities gerichter spelers benaderen. Veelal ging dat via de spelers van HBC zelf die dan namen aandroegen van jongens die zij kenden. Het “via via“-circuit. Wouter Soomer halen was natuurlijk een inkoppertje met Piet Soomer als voorzitter, haha. En zo kende Arno Dijkstra bijvoorbeeld Zeno die bij Velsen speelde en wel naar HBC wilde komen. Arno zelf kwam terug naar HBC toen Luke Vahle vertrok. Zo werden posities ingevuld. Zo kwam Jesse Vink naar HBC toen Steve Olfers stopte. Daar kwam bovendien bij dat het gemakkelijker werd om spelers te overtuigen van onze ambities naar mate we steeds hoger gingen spelen. Voorheen waren spraken we wel met vier of vijf spelers en kwam er maar één. Daarna meldden spelers zich zelf al aan en kwam het zelfs voor dat we op die positie al “bezet” waren en nee moesten zeggen.

Jij had het er zojuist al over, jouw voorganger Peter van der Waart werd kampioen van de Vierde Klasse in het seizoen voorafgaand aan jou komst. Hij werd vervolgens Hoofd Jeugdopleiding. Hadden jullie veel contact met elkaar? Ik bedoel het eerste elftal zou in beginsel ook vanuit de jeugd aangevuld moeten worden.
(…) overleg in de zin van structureel, dus maandelijks, nee dat was er niet. Ik heb me qua beleid vooral gefocust op de selectie. Het was natuurlijk onze taak om de selectie naar een hoger niveau te tillen. Ik heb me niet beziggehouden met het beleid van de jeugd. Al is het natuurlijk wel zo dat als je er wat langer zit, je de doorstroming naar het selectievoetbal probeert te verbeteren. We hebben geprobeerd steeds meer de mogelijkheid te creëren om de doorstroming mogelijk te maken naar het seniorenvoetbal, denk hierbij aan het opzetten van een Onder 23 in samenwerking met Otto Berendrecht en Bart Soomer. Dit hebben zij echt fantastisch opgepakt. En dat was geen gemakkelijke klus, zeker niet als je weet dat we dit in de coronatijd hebben gedaan. Hier gaat HBC straks de vruchten van plukken. Dit jaar hebben meerdere spelers van onder 23 meegetraind met het eerste elftal en hebben zelfs hun debuut gemaakt in de competitie bij het eerste elftal. We hebben onze focus dus niet alleen gehad op het eerste elftal. Zeker niet. Toen ik kwam speelde het eerste in de Derde Klasse, het tweede in de Tweede Klasse en de onder 23 bestond nog niet. We hebben van het derde team onder leiding van Patrick Hart een selectieteam gemaakt. Er is dus in de breedte van de club wel degelijk de nodige progressie geboekt. Het tweede elftal speelt nu reserve-hoofdklasse, de onder 23 is gepromoveerd naar de tweede divisie en het derde elftal is dit seizoen kampioen geworden en gepromoveerd naar de reserve tweede klasse. Voeg daaraantoe dat er ook enkele talenten komend seizoen doorstromen van onder 19 naar onder 23, dus ook qua doorstroming hebben we het best goed gedaan. Verder is er sinds dit jaar de medische ruimte uitgebreid met een fitness gedeelte. Allemaal mooie stappen, waar niet alleen het eerste van profiteert.

Dat neemt niet weg dat de jeugdelftallen bij HBC wel sterker moeten worden om de echte aansluiting naar het eerste te behouden. Nog altijd gaan er talentjes weg bij HBC om dan bij HFC of Hoofddorp te gaan voetballen. Dat is zonde en daar ligt een uitdaging. Dat vergt investeringen in onder meer in een goed opgeleid kader, doelen stellen en deze doelen durven uitspreken naar elkaar en vervolgens evalueren wat er goed gaat en wat er beter kan. Het zou mooi zijn als de oudgedienden hier iets in kunnen gaan betekenen. Vele handen maken licht werk en je bent als club minder kwetsbaar dan dat het op een paar mensen aankomt.

Kan jij aangeven waar verbeteringen in dat verband zouden moeten komen?
Dat heb ik hierboven al een beetje aangegeven. HBC is een bloeiende, gezonde club en het is heerlijk om op zaterdag zoveel jeugd bezig te zien op het voetbalveld. Het doet mij goed als ik bijvoorbeeld John Goossens zie rondlopen op het veld. Ook zie ik diverse spelers waar ik vroeger mee gespeeld heb met hun kids rondlopen bij HBC, dat is toch mooi. Nu gaat het erom dat de koppen bij elkaar gestoken worden om ook een platform te creëren voor prestatievoetbal in de jeugd, ik zeg OOK, want HBC is een club voor iedereen en dat moet zo blijven. De grote mate van het “sociale karakter” moet blijven. Dat is ook een kracht van de club. Neem als voorbeeld het Jeugdweekend. Dat is natuurlijk geweldig zo’n weekend voor de jeugd. Dat wordt met veel passie georganiseerd door een mooie groep vrijwilligers.

Terugkijkend naar de afgelopen jaren. Welke spelers hebben vanaf het begin de opmars meegemaakt?
Pfoehh… even nadenken… kijk bij HBC is er op zich niet veel verloop…, maar jongens als Bram Verhage, Jort Voorham, Jeroen de Bruijn en Jesse van Loon zijn er vanaf mijn eerste seizoen bij. Verder hebben Menno Grijsen, Bart Griekspoor, Shaddy Shehata, Wouter de Bruijn en Neil van Hooff (bijna) alles meegemaakt tot en met vorig seizoen. In mijn tweede seizoen kwamen volgens mij Wouter Soomer, Bryan Wilderom, Jeremaih Veldman en Mark Mul en zij zitten ook nu nog in de selectie. Het seizoen daarna kwam weer een echte HBC-er terug, Arno Dijkstra. Ook jongens als Zeno van Ooijen, Jessie Vink, Jesse Assendelft zitten al meerdere jaren bij HBC in de selectie en ik verwacht dat de spelers die daarna zijn gekomen ook wel even zullen blijven bij HBC.

Dan heb je ook nog de periode van corona meegemaakt. Was dat een lastige periode voor jou als trainer?
Dat is natuurlijk heel bijzonder. Dat leer je niet in de boekjes of op de cursus. Je moet je nu eenmaal aanpassen aan de omstandigheden. We hebben gedaan wat we konden doen in die periode. Ik moet zeggen dat dit ook aan de groep lag. Zij bleven met volle overgave en enthousiasme trainen. Voor de spelers zelf was het trainen met elkaar tijdens de corona ook een vorm van een sociale uitlaatklep. Dan konden ze even uit hun isolement komen. Maar het was wel een puzzel voor wat betreft de oefenvormen die je gaf. Je moest nu eenmaal anderhalve meter afstand van elkaar houden. We deden hoe dan ook wel leuke trainingsvormen. Bijvoorbeeld het veld in bepaalde vakken verdelen, waar je dan niet in mocht komen. Van dat soort dingen.

Als je de trainingen verdeelt in vier onderdelen; tactisch, technisch, mentaal en fysiek. Is daar een specifiek onderdeel bij waar jouw kracht als trainer ligt?
Ik denk niet dat je dat in vier onderdelen kunt hakken. Het een heeft nu eenmaal ook weer met het ander te maken. Je kunt dat niet los van elkaar zien. Laat ik het zo stellen: ik ben trainer geworden omdat ik het spel op zich zo leuk vind. Dat had ik al als jong voetballertje. Het gaat om het plezier dat je beleeft. Natuurlijk gelden er belangen. Natuurlijk gaat het uiteindelijk om het winnen. Maar in de kern gaat het toch om het maken van doelpunten. Ik ben ervan overtuigd dat je kampioen wordt vanuit de gedachte dat je wil winnen en niet de opvatting hebt dat je niet wil verliezen. Misschien is het een romantische gedachte, maar Jan Mulder verwoordde het onlangs nog op televisie treffend: Het gaat om de schoonheid van het spel.

Dan word je al snel een etiketje opgeplakt. In de zin dat je een type “Bosz” bent of een type “Mourinho”…
Laat mij dan maar het type Bosz zijn. Ik moet er eerlijkheidshalve wel aan toevoegen dat Mourinho met zijn verdedigende spelopvatting toch de nodige prijzen heeft gewonnen. Dat kan je hem niet ontzeggen. Wat dat betreft is hij de uitzondering op de regel. Maar wat ik bedoel is dat de spelers van mij de ruimte krijgen om vrij te kunnen spelen. Dat het geen robots zijn. Dat zij niet alleen maar denken de bal moet van hiernaar daar. Nee, zij mogen fouten maken. Die vrijheid moeten ze ook voelen. Het gaat er dan alleen wel om wat er direct daarna gebeurt. Blijft die speler in het moment van balverlies daarin hangen of herstelt hij dat direct. Dat is belangrijk. Daar let ik dan met name op. Het komt er bij mij wel op neer dat je zelf het initiatief moet nemen en vrij moet zijn om te bepalen wat er gebeurt. Wat wij willen en dat wij het tempo bepalen, niet andersom. En natuurlijk handel je als trainer ook naar de omstandigheden tijdens het verloop van het spel. Als je met 1-0 voor staat met nog tien minuten te spelen en de tegenstander zet je onder druk, dan kan het in voorkomende gevallen noodzakelijk zijn om een extra verdediger erbij te zetten. Dat sluit overigens niet uit dat je soms juist er een extra aanvaller bij zet. Dat hangt van zoveel factoren af. Ik herinner mij dat van Basten dat deed toen het Nederlands elftal tegen Italië speelde. Juist om onder de druk uit te komen.

Plan jij het hele seizoen in bepaalde periodes? Voorbereiding, eerste deel na de start competitie. Kortom wat in jargon geduid wordt als “periodisering”?
Laat ik voorop stellen dat ik “op het veld staan” dus het geven van de training in essentie het leukste onderdeel vind. Natuurlijk houd je in de voorbereiding op het seizoen met de planning rekening met het fysieke gedeelte. Maar tegenwoordig wordt het vak van trainer steeds meer “het managen” van een staf. Ik weet dat er trainers zijn die tot in detail alles vooraf plannen. Ja, zelfs een jaarplanning opstellen Ik vind dat lastig. Lastig in die zin dat ik veel meer inspeel op hetgeen ik zie tijdens de wedstrijd. Ik geef een voorbeeld: stel dat je een periode je wil richten op het opbouwende deel van het spel. En wekelijks drie of vier doelpunten tegen krijgt. Het lijkt mij dan logischer dat je je als trainer dan eerder gaat richten op het verdedigende aspect dan op het opbouwende in die periode. Daarbij heb ik bij een zekere planning van het seizoen wel als eerste doelstelling het aanvallen.

Terugkomend op HBC. Drie keer achter elkaar kampioen en afgelopen seizoen promotie. Slechts onderbroken door de corona periode. Welke van deze successen vind jij nu, terugkijkend, het mooiste?
Jeetje…dan toch de promotie van afgelopen seizoen. Kijk de voorgaande jaren waren we oppermachtig in onze afdeling. We speelden elk jaar voor het kampioenschap en stonden een straatlengte voor op onze tegenstanders. Dit seizoen lag dat wat anders. We startten heel voortvarend. Pakten de eerste periode. De gedachte leefde dan ook toen we weer bovenaan stonden “als dit het niveau van de Vierde Divisie is, dan kunnen we dat wel volhouden”. Maar anders dan voorgaande jaren waren er nu meer gelijkwaardiger teams. Daarbij kwam ook dat wij te kampen kregen met zware blessures van spelers die bepalend waren in het elftal. Mark Mul viel weg. Wouter Soomer. En Jeroen Bruijn ging drie maanden op reis. We werden daardoor wat minder stabiel. Jongere spelers kwamen ervoor in de plaats. Weliswaar bleven we veel scoren maar tegelijkertijd kregen we ook meer goals tegen. Wat ik zeg: gaandeweg was er minder stabiliteit. Maar ik ben ervan overtuigd dat zonder het wegvallen van deze spelers wij tot en met het einde ook nu weer kanshebber waren voor het kampioenschap.

Daarbij kwam ook dat in de winterstop bekend werd dat jij HBC ging verlaten en naar Katwijk ging…
Dat is wel zo, maar daar heb ik verder totaal niets van gemerkt bij de spelers. Zoiets als, nou hij gaat toch weg na dit seizoen, dus ik zie het volgend seizoen wel. Nee, de trainingsopkomst bleef geweldig en ook de intensiteit bleef altijd hetzelfde. Wel slopen er op den duur dingen binnen de groep waarvan ik dacht:
nu moet ik gaan ingrijpen. Dat was met name tijdens en na de wedstrijd tegen WV-HEDW. We verloren die wedstrijd en ook op een manier die mij niet zinde. Ik merkte het in bepaalde gedragingen binnen de selectie. Op dat moment heb ik de groep ook bij elkaar gehaald en mijn mening duidelijk kenbaar gemaakt. Het was een monoloog van mijn kant, maar wel noodzakelijk. Dat was dan ook een kantelpunt.

Met de winst in de nacompetitie als hoogtepunt. Wat wist je eigenlijk van Scherpenzeel af?
Ha ha ha… niks eigenlijk. Dat kwam ook omdat wij tot het laatste aan toe niet precies wisten tegen wie wij het eerst zouden uitkomen. Dat bleef lang onduidelijk. Zo belde Rohda Raalte ons nog op. Die gingen er namelijk van uit dat wij hun tegenstander zouden worden omdat Scherpenzeel kennelijk de voorkeur gaf om tegen andere teams de nacompetitie te spelen. Ik dacht zoiets, we gaan het allemaal wel zien. Maar toen het dus Scherpenzeel werd wist ik nagenoeg niets van hen af. Ja, we hadden beelden van ze gezien die op hun website stonden. Overigens die beelden gaven mij een indruk die uiteindelijk in de praktijk anders uitvielen. Ik bedoel: in de eerste wedstrijd, bij ons thuis, bleek dat dit team veel meer kwaliteit had dan wij aanvankelijk op basis van de beelden hadden verwacht. Gelukkig pasten zij zich in de tweede wedstrijd tegen ons aan en lieten zij zich meer inzakken op eigen helft. Dat kwam ons allerminst slecht uit.

In de 94’ minuut in die tweede wedstrijd kwamen zij toch nog terug tot 2-2. Dan moet je gaan verlengen. Weet jij nog wat je in die luttele minuten tegen de spelers gezegd hebt? Ik bedoel: zo op het laatste moment die gelijkmaker nog tegen krijgen, dat geeft een dreun…
Wat ik toen precies gezegd heb kan ik mij nu niet meer voor de geest halen. In elk geval niets over die tegengoal, want dat had geen enkele zin meer. Dat was gebeurd en je moet ze niet in dat moment laten hangen. Ik herinner mij nog wel dat ik toen al zei: jongens als het op penalty’s gaat aankomen, dan staan wij al met 1-0 voor, want wij hebben Bram en met zijn lengte is dat absoluut een voordeel ten opzichte van Scherpenzeel. En dat bleek dus ook zo. Bram was bij die serie fenomenaal, te meer omdat hij in de wedstrijd zelf twee ongelukkige momenten kende. Maar wij schoten er op eentje na ze er onberispelijk in.

Op eentje na? Ze gingen er toch allemaal in?
Jawel, maar eentje was kantje boord… ik zei tegen mijn spelers: hoe je hem neemt, interesseert me niet, maar een ding wel: schiet de bal hard en niet een lullig geplaatst balletje met de binnenkant voet…

Ook die ene, waarvan je zegt dat die kantje boord was, is naar mijn opvatting prima genomen. Hij zat immers toch?
Ha ha ha… als je het zo bekijkt wel.

En toen kwam Jos Watergraafsmeer. Heb jij in de dagen tussen Scherpenzeel en Jos Watergraafsmeer nog op specifieke onderdelen getraind?
Niet echt… hooguit dat we er rekening mee hielden dat zij met vijf achterop speelden. Daar heb ik wat accenten op kunnen leggen. Maar de wedstrijden kwamen kort achter elkaar. Dan gaat het er vooral om dat de spelers fit blijven. Dat je ze dan in elk geval niet over de kling jaagt, maar juist wat meer rust geeft. Rust is dan eigenlijk de beste training. En wij wisten uit de eerdere drie wedstrijden die wij tegen hen hadden gespeeld dat wij altijd kansen creëren om daaruit te scoren. Dat wisten wij honderd procent zeker en benadrukten wij ook.

Hoe heb jij die wedstrijden ervaren als trainer?
Dat was natuurlijk top. Kijk, daarvoor ga je ook op voetballen. Dat je onder dit soort omstandigheden mag spelen. De entourage, de rookbommen, het vele publiek. Dat moet ik ook benadrukken. Al die seizoenen dat ik hier nu ben heeft HBC altijd bij de uitwedstrijden het meeste publiek dat meekomt. Het is wat dat betreft een hechte familie.

En dan na afloop? Ga jij dan helemaal los of blijf je enigszins op de achtergrond?
Nou, ik doe natuurlijk wel mee met die jongens. We vieren het dan ook met z’n allen. Ik ben ook later met de groep meegegaan de stad in. Maar weet je, het is natuurlijk leuk dat je als trainer in de belangstelling staat. Ik heb er verder geen onderzoek naar gedaan, maar het is vrij uniek dat je van de derde klasse in vier jaar weet op te klimmen naar de Derde divisie. En dan ook nog eens in het jaar daaraan voorafgaand kampioen geworden bent van de Vierde Klasse. Wat ik er mee wil zeggen dat je dat niet als trainer alleen doet. Ik ga nu geen namen noemen want dan vergeet je er ongetwijfeld een paar en die zou je dan te kort doen. Maar het hele team, dus spelers en staf, inclusief bestuur bedoel ik heeft een geweldige prestatie geleverd en alle verwachtingen overtroffen. Het succes is dan ook van ons allemaal. En het was niet altijd alleen maar feest. We hebben in die jaren ook het nodige voor de kiezen gekregen en alle betrokkenen weten dan ook wat ik daarmee bedoel.

En dan nu Katwijk…
Ja, ik ben vandaag (maandag 1 juli 2024, red.)begonnen daar als trainer.  Het is natuurlijk een walhalla om daar in de Bollenstreek als trainer te mogen werken. Niets ten nadele van de Keuken Kampioen Divisie, maar de derby’s in de Tweede divisie, ja dat is toch echt het walhalla… Ik heb dat zelf als voetballer mogen meemaken… en dan nu als trainer. Ik kijk daar bijzonder naar uit.

Nog een slotakkoord?
Voor wat HBC betreft hoop ik dat zij de weg die zij zijn ingeslagen kunnen voortzetten of tenminste behouden. Het is een cliché: maar niettemin: ergens komen is één, er blijven is twee. Maar ik heb er alle vertrouwen in dat dit wel gaat lukken. Het zal naar mijn verwachtingen niet als een kaartenhuis uit elkaar vallen. En wat de toekomst betreft: ik zal mijn gezicht zeker nog bij HBC laten zien.

Tekst: Ed Friedel

HBC Voetbal